Reglementen modern

Instructieboekje Ploegwedstrijd, uitgave 2007

  • Inleiding
  • Veiligheidsvoorschriften
  • Voorschriften trekker en ploeg
  • Instructies voor de wedstrijdcommissie
    • Categorieën
    • Voorbereiding en regeling
    • Het terrein
    • Het berekenen van de uitslag
    • Afvaardiging
    • Mechanische problemen
    • Dieptemeting
    • Afmetingen strijkplaat
  • Instructies voor de deelnemers
    • Rondgaand ploegen
    • Wentel ploegen
  • Wedstrijdreglementen
    • Rondgaand ploegen
    • Wentel ploegen
  • Afbeeldingen
    • Tekening wedstrijdveld rondgaand
    • Tekening wedstrijdveld wentel
    • Tekening afmetingen strijkplaat
  • Juryrapporten (Excel sheets):
  • Rondgaand.xls
  • Wentel.xls

top

Inleiding

Het doel

Het doel van de ploegwedstrijd is het bevorderen van de praktische vakbekwaamheid door gereglementeerde wedstrijden.

Door inschakeling van het wedstrijdelement is het ploegen in de sportieve sfeer gekomen. Dit is wenselijk om de aandacht voor ploegen te vergroten en deze wedstrijden populair te maken.

De oefeningen voor deze ploegwedstrijden kunnen, al ploegend in het bedrijf gebeuren. Daarnaast kan oefening voor een ploegwedstrijd aan de a.s. deelnemer een nuttige vrijetijdsbesteding geven.

Het wedstrijdploegen is een sport, die direct is gericht op een zeer belangrijk werk op de boerderij. Daarom kunnen ploegwedstrijden van grote praktische waarde worden geacht.

“Beter ploegen – betere grondbewerking – efficiëntere oogsten’.

Veiligheidsvoorschriften

Elke trekker met een standaardgewicht van 800 kg of meer, die tijdens de Nationale Ploegwedstrijden wordt ingezet en dus deelneemt aan de wedstrijd, moet zijn voorzien van een veiligheidscabine, -frame, of -beugel, welke tot een goedgekeurd type behoort.

De goedkeuring moet blijken uit het OECD- of A.I.-goedkeuringsnummer, dat in de cabine of op het frame of de beugel is aangebracht.

Deelnemers moeten er voor zorgen dat er voor de door hun te gebruiken trekker een WA-verzekering is afgesloten.

Voorschriften trekker en ploeg

Naast de veiligheidsvoorschriften geld voor ploegwedstrijden dat er een beperking is bij het gebruik van hulpmiddelen.

Ploeg:

  • Na het rister is slechts één afstrijkplaat van een beperkte afmeting en bolling toegestaan, zie blz. 13.

Trekker en ploeg:

  • Het gebruik van GPS is niet toegestaan.
  • Het gebruik van elektronische afstandsmeting is niet toegestaan.
  • Tijdens het wedstrijdploegen zijn geen mobiele communicatiemiddelen toegestaan.

Algemeen:

  • Overige hulpmiddelen die de sneden bewerken zijn niet toegestaan.

Instructies voor de wedstrijdcommissie

Wedstrijdcategorie

Met is niet meer mogelijk om alle, in Nederland in gebruik zijnde ploegtypen in één wedstrijd met elkaar te vergelijken. Daarom is het gewenst de ploegen in verschillende rubrieken in te delen. Bij de indeling kan men met de volgende ploegtypen rekening houden:

 

Trekkerploegen

Categorie 1: meerscharige rondgaande ploegen.

Categorie 2: meerscharige wentelploegen.

Tijdens de wedstrijd mag geen van de ploeglichamen of andere delen die aan de ploeg behoren, zoals kouters, voor scharen (behoudens bij de openingsvoor en/of de eindvoor) of scharen worden verwijderd of gedemonteerd.

Voorbereiding en Regeling

Voor het houden van een ploegwedstrijd moet aan het volgende worden voldaan:

De organisatie die het initiatief voor het houden van een ploegwedstrijd neemt, benoemt een wedstrijdcommissie, welke de gehele voorbereiding en regeling van de wedstrijd onder haar verantwoordelijkheid neemt. De taak van deze wedstrijdcommissie is het:

  • vinden van een geschikt terrein;
  • benoemen van een terreincommissie;
  • benoemen van terzake kundige juryleden;
  • vaststellen van de categorie waarover de wedstrijd zich zal uitstrekken;
  • bepalen van de ploegdiepte;
  • het toezenden van het wedstrijdreglement aan de deelnemers en juryleden;
  • het plegen van overleg met de plaatselijke politie in verband met het te regelen verkeer op de wedstrijddag;
  • het uitgeven van het officiële programma voor de wedstrijd.Ter oriëntatie van de bezoekers zullen in dit programma onder meer moeten worden vermeld:
  • ligging en bereikbaarheid van het terrein;
  • het wedstrijdreglement;
  • de deelnemers en het materiaal dat zij gebruiken;
  • de namen van de functionarissen;
  • de mededeling dat het publiek zich niet op het wedstrijdterrein mag begeven;
  • het zorgdragen van voldoende publicatie voor, tijdens en na de wedstrijd;
  • het plaatsen van borden die de bezoekers behulpzaam zijn bij het vinden van het wedstrijdterrein;
  • het loten van de wedstrijdnummers van de deelnemers.

Het terrein

Om een ploegwedstrijd te kunnen houden moet een stuk bouwland of grasland beschikbaar zijn met ongeveer overal dezelfde bodemomstandigheden (grondsoort, begroeiing, sporen, enz.). Het meest geschikt is land, dat begroeid is met gras, klaver of een ander stoppelgewas en dat ook onder minder goede weersomstandigheden voor de wedstrijd kan worden gebruikt. Land, dat kortgeleden is losgewerkt, is minder geschikt voor een ploegwedstrijd. Doorgaans heeft men niet veel keus. Hoofdzaak is dat de terreinomstandigheden voor alle deelnemers ongeveer gelijk zijn.

A. Uitzetten

Het wedstrijdterrein moet van te voren worden uitgezet. Een merkvoor moet aan beide zijden de grens aangeven, tussen wedstrijdterrein en de niet te ploegen wendakkers. Deze merkvoren worden gemaakt door één ploegsnede naar de kant van de wendakker uit te ploegen. De wendakkers moeten tenminste tien meter breed zijn. Het veldje van elke deelnemer wordt aangegeven met twee paaltjes, die geplaatst worden aan het begin en het einde van de te maken begin voor. Bij voorkeur zijn dit metalen paaltjes, welke tweezijdig, met een 25 cm groot cijfer, zijn genummerd. De jury moet het cijfer vanaf het midden van het veldje kunnen lezen. De veldje moeten naast elkaar worden uitgezet en zij dienen gelijkvormig te zijn. Zie ook de tekeningen van de vorm van de veldjes, welke achterin dit boekje zijn opgenomen.

B. Vorm van de veldjes

Bij rondgaande ploegen is het gebruikelijk om rechthoekige veldjes te nemen, zoals in figuur 1 is aangegeven.

Ieder veldje heeft een dubbele opening en eindvoor. Het aanploegen dient hier te geschieden zoals volgens de pijltjes is aangegeven. Wanneer een wedstrijd wordt uitgeschreven voor wentelploegen is een rechthoekig veldje weinig aantrekkelijk. In dat geval verdient het de voorkeur gebruik te maken van gerende veldjes. Zoals in figuur 2 is aangegeven heeft ieder veldje nu een enkele opening, een geer, een derde wendakker en een eindvoor.

De velden liggen bij voorkeur dwars (haaks) op de oogstsporen. Om elke deelnemer even “schuin” te laten ploegen gaan we als volgt te werk: Een wentelploeg heeft 8 m geer. Na het haaks zetten van de ploegvelden moet dan aan één zijde de hoekpaal 4 meter terug worden geplaatst. Voor het afploegen van de geer is het geoorloofd om evenwijdig aan de eindvoor een merkstreep te trekken.

C. Afmetingen van de veldjes

Onafhankelijk van het type ploeg, is het wedstrijdveld even groot, nl. 2.000 m²: De meest gewenste afmetingen zijn:

Rondgaande ploegen  Lengte   Breedte  Oppervl. Meerscharige ploegen      100         20        20 are Zie voor de ligging van de veldjes figuur 1.schema-rondgaand

Wentelploegen            Lengte   Breedte   Oppervl. Meerscharige ploegen      100      16 / 24     20 are Zie voor de ligging van de veldjes figuur 2.schema-wentel

De grootte en de vorm van de veldjes is afhankelijk van het beschikbare terrein en het aantal deelnemers.

D. Tijdsduur

De beginvoor moet in 20 minuten zijn voltooid. De toegestane tijd voor het omploegen van de boven omschreven veldjes is na jurering, en dus na het 2e startsignaal 2 uur en 40 minuten.

E. Trainingsterrein

In de directe omgeving van het wedstrijdterrein kan, indien mogelijk een stuk land als oefenterrein beschikbaar worden gesteld. De grootte van dit stuk land zal zo moeten zijn, dat iedere ploeger ruim de gelegenheid heeft om de afstelling van de ploeg voor de wedstrijd te regelen en aan de te ploegen grond aan te passen.

Het berekenen van de uitslag

Bekendmaking en motivering

Hoewel op de uitspraak van de jury geen appel bestaat, moeten de deelnemers wel een motivering van de uitslag vernemen. Deze motivering is grotendeels te vinden in de gegeven cijfers voor de totale prestatie en de cijfers van elk der prestatiefactoren.

Desgewenst kan daar nog een beschrijvende beoordeling aan worden toegevoegd. Daartoe kan één der juryleden als secretaris worden aangewezen. Er wordt bij voorkeur gejureerd in groepjes van 3 juryleden, waarbij per groepje per onderdeel één cijfer wordt toegekend. Het is wenselijk, dat twee groepen van juryleden onafhankelijk van elkaar dezelfde onderdelen jureren. Er dienen hele punten te worden gegeven van 0 t/m 10 punten. Na afloop van de wedstrijd kan het wedstrijdsecretariaat of kan de jury de einduitslag samenstellen. De juryleden plegen overleg over het aantal strafpunten dat voor eventuele overtredingen moeten worden gegeven. Deze worden van het totale aantal punten afgetrokken. Zo mogelijk wordt gelijktijdig met het bekendmaken van de einduitslag een gedetailleerde uitslagenlijst aan de ploegers ter beschikking gesteld. Het geploegde kan dan nog worden vergeleken met de uitslag en ook kan de beoordeling van andere ploegers worden bekeken.

Jurytent

Een apart onderkomen voor de jury tijdens en na de wedstrijd is wenselijk. Dit kan bijvoorbeeld een tent of schaftkeet zijn.

top

Afvaardiging

Afvaardiging naar  Wereldploegwedstrijden: Deelnemer a:  Hoogste in rang rondgaand ploegen Deelnemer b:  Hoogste in rang wentel ploegen

Afvaardiging naar  Europese ploegwedstrijden: Deze afvaardiging wordt bepaald nadat de selectie voor de afvaardiging naar de Wereldploegwedstrijden heeft plaatsgevonden Deelnemer a en b.:  Hoogsten in rang wentel ploegen Afvaardiging bij Ex Aequo  

Op basis totaal aantal punten van 2 wedstrijddagen.

Wentelploegen Rondgaand ploegen
1. minste strafpunten 1. Aanstorting (pt 2 + 3)
2. Eindvoor (pt 10) 2. Eindvoor (pt 8 + 9)
3. Aanstorting geer (pt 3 + 4) 3. Algemene indruk (pt 12)
4. Inzetten en uitlichten (pt 11) 4. Inzetten en uitlichten (pt 10)
5. Geploegde sneden (pt 7 + 8) 5. Geploegde sneden (pt 6 + 7)

 

Mechanische problemen

Bij mechanische problemen wordt maximaal 1 uur extra tijd bijgeteld, dit geldt per wedstrijddag. Behaalde punten worden meegenomen in de einduitslag.

Dieptemeting

De dieptemeting vind plaats door de jury.

Bij rondgaande wedstrijden wordt tweemaal gemeten. De eerste keer nadat er minimaal 6 sneden zijn. De tweede keer wordt gemeten als er minimaal 6 sneden geploegd zijn na overname van de buurman.

Bij wentelploegen wordt driemaal gemeten. De eerste keer nadat er minimaal 6 sneden zijn. De tweede keer wordt gemeten als er minimaal 6 gangen geploegd zijn na overname van de buurman. De derde keer wordt gemeten na minimaal 6 sneden in de derde wendakker.

Metingen vinden plaats minimaal 2 meter vanaf begin of eind van de voor. Een volledige meting bestaat uit het gemiddelde van 3 waarnemingen per voor. Indien bij de eerste meting wordt geconstateerd dat er te diep of te ondiep wordt geploegd, wordt dit door de jury aan de ploeger gemeld zonder getallen te noemen.

Afmetingen strijkplaat

Nadat de grondbalk het rister heeft verlaten mag deze alleen nog worden aangeraakt door de strijkplaat. Aan de afmetingen en de vorm van de strijkplaat zijn beperkingen gesteld.  Zie figuur 3.

Instructies deelnemers

     Wedstrijdploegen

Inleiding

Ploegwedstrijden leveren een grote bijdrage tot het verbeteren van de grondbewerking. Immers, goed ploegwerk levert het fundament voor een goed zaaibed, dat in een minimaal aantal bewerkingen kan worden verkregen. Dit laatste is zeer belangrijk, daar bij herhaaldelijk bewerken de winst, die men door het ploegen aan vergroting van het poriënvolume heeft verkregen weer geheel teniet wordt gedaan.

     Rondgaand ploegen

De opening. In het algemeen moet de opening zo ondiep mogelijk worden gemaakt om de aanstorting op de juiste hoogte te krijgen, zodat deze niet boven het overige geploegde uitsteekt. Is dit tijdens de wedstrijd al het geval, dan is er in het voorjaar een behoorlijke rug. De dieper geploegde grond bezakt immers meer dan de ondiep geploegde grond bij de aanstorting. Op zichzelf wordt een diepe opening, die verder geheel aan de eisen voldoet niet lager gewaardeerd dan een ondiepe. Met rondgaande ploegen wordt een dubbele opening gemaakt, die op twee verschillende manieren kan worden uitgevoerd, met als resultaat: 1. een geheel schone opening; 2. een opening, die een reep losgesneden grond bevat, de zgn. ‘vuile opening”. De naar weerszijden uitgeploegde sneden moeten van voor tot achter een gelijkblijvend uniform beeld tonen.
De gehele schone opening Deze opening wordt met de achterste schaar uitgeploegd en wel zodanig, dat de ploegsneden zowel naar links als naar rechts even breed zijn en in hun geheel evenwijdig aan de open voor lopen. Dit betekent, dat de ploeg iets over rug moet worden afgesteld. Daarbij moet de onderkant van de achterste schijfkouter even diep of iets dieper dan de punt van de schaar worden afgesteld. Bij de tweede gang, dus wanneer men de dubbele opening voltooid, mag het schijfkouter wel iets dieper worden afgesteld, indien de grond niet te hard is. Er wordt bij de tweede gang praktisch even diep geploegd als bij de eerste en daardoor heeft het zoolijzer maar weinig steun. In dit geval moet het schijfkouter dus mede dienst doen als zoolijzer. Bij de tweede methode is dit iets gemakkelijker.

Een opening, die een reep losgesneden grond bevat (Vuile opening). De eerste gang levert bij deze opening wat de uitvoering betreft geen verschil op met die van de eerstgenoemde methode.

Bij de tweede gang wordt echter de tweede voor niet door het achterste, maar door het daar voor gelegen ploeglichaam gemaakt. Het achterste lichaam ploegt daarbij een klein randje van de bij de eerste geploegde snede af, de schijfkouters van de ploeglichamen worden hierbij op de volle diepte afgesteld. Het voordeel van deze opening is, dat hij in ieder geval tweemaal de voorbreedte breed wordt, en dat de ploeg vlak kan worden afgesteld, waardoor een betere kering kan worden verkregen. De voorscharen worden bij het maken van de opening niet gebruikt.

Aanstorting Bij de aanstorting laat men het voorste ploeglichaam ongeveer op de helft van de diepte van het achterste ploeglichaam ploegen. Hierdoor wordt de eerste ploegsnede voor ruim de helft door de tweede ploegsnede bedekt. Bij de tweede gang van de aanstorting wordt de ploeg vlak gesteld, de schijfkouters worden bijgesteld en de aanstorting van drie sneden wordt voltooid. De aanstorting kan ook worden gemaakt met vier sneden. De aanstorting is evenwel compleet na 4 omgangen (15 of 16 sneden zichtbaar). De ploegdiepte moet na twee omgangen zijn bereikt.

De geploegde sneden De geploegde sneden moeten even breed zijn en steeds op dezelfde wijze goed bij elkaar aansluiten. Daarbij moeten ze geaccentueerd liggen en zoveel mogelijk een ronde kruin hebben. De accentuering mag niet te groot zijn, de aansluiting van de ploegsneden met de gewenste ronde kruin is dan trouwens ook voldoende. Deze aansluiting is niet alleen belangrijk voor een minimale bewerking in het voorjaar, maar ook om het ontstaan van slemp op deze plaatsen tegen te gaan. De grond droogt dan in het voorjaar gelijkmatig op. Deze gelijkmatigheid is belangrijk voor een gelijkmatige kieming en groei der gewassen. De gelijkmatigheid strekt zich uit tot de gehele ploegsnede. De verkruimeling en/of de gewenste scheurvorming door het rister van de ploeg moeten zich op zijn minst gelijkmatig over de gehele ploegsnede hebben verdeeld. Op lichtere gronden is het zelfs gewenst, dat deze verkruimeling onder in de ploegsnede sterker is dan boven in. Deze gronden zijn immers gevoelig voor dichtslaan en de verkruimeling moet daarom boven in de snede tot een minimum worden beperkt. Het gebruik van voorscharen is hierbij verplicht. Een werkdiepte van ca. 3 cm is meestal voldoende, ofschoon dit afhankelijk is van de omstandigheden.

Eindvoor In de eerste plaats is het nodig om het veld te controleren op een eventueel aanwezige geer, alvorens men verder gaat in de voor van de buurman met het eerst hogere veldnummer. Is een geer aanwezig, dan moet deze zo snel mogelijk worden weggeploegd. Hierna moet meteen worden berekend hoe men uitkomt, want men moet uiteindelijk komen op een veelvoud van de totale ploegbreedte plus bijna één voorbreedte. Is dit niet het geval, dan zal men de nodige correcties onzichtbaar moeten aan brengen. Bij de laatste drie omgangen moet geleidelijk iets ondieper worden geploegd om voldoende grond voor de laatste ploegsnede over te houden, want deze moet goed bij het overige geploegde aansluiten en in de richting van de eigen aanstorting worden gekeerd. Het laatste wielspoor moet evenwijdig liggen aan de geploegde sneden en moet zo ondiep mogelijk zijn. Loos rijden naar de andere wendakker is toegestaan, zolang de deelnemer het loos rijden niet gebruikt om het geploegde of het ongeploegde land te beïnvloeden.

Het in- en uitzetten >Het in- en uitzetten moet zo gelijkmatig mogelijk gebeuren, terwijl de ploeg bij het inzetten zo snel mogelijk op diepte moet komen. Uitgangspunt is dat alle grond tussen de merkvoren moet worden geploegd.

     Wentel ploegen

De opening In het algemeen moet de opening zo ondiep mogelijk worden gemaakt om de aanstorting op de juiste hoogte te krijgen, zodat deze niet boven het overige geploegde uitsteekt. Is dit tijdens de wedstrijd reeds het geval, dan is er in het voorjaar een behoorlijke rug. De dieper geploegde grond bezakt immers meer dan de ondiep geploegde grond bij de aanstorting. Op zichzelf wordt een diepe opening, die verder geheel aan de eisen voldoet niet lager gewaardeerd dan een ondiepe. De opening moet met het achterste rechtse lichaam worden gemaakt, zodat de geploegde snede op het nog te ploegen veld komt te liggen. Het zoolijzer heeft maar weinig steun. In dit geval moet het schijfkouter dus mede dienst doen als zoolijzer. Ook hier moet de ploegsnede in zijn geheel evenwijdig aan de opening liggen.

Aanstorting De uitgeploegde sneden van de openingsvoor moet exact worden teruggekeerd. De aanstorting moet zodanig worden uitgevoerd, dat bij de eerste voor de grondbalk volledig is losgesneden, de vegetatie goed is ondergebracht en de sneden van de aanstorting even hoog liggen als het overige ploeg werk. Een aanstorting is voor een tweescharige ploeg compleet na 8 sneden, voor een driescharige ploeg na 9 sneden en voor een vierscharige ploeg na 8 sneden. De ploegdiepte moet na 1 omgang zijn bereikt.

De geploegde sneden De geploegde sneden bij het wentel ploegen moeten aan dezelfde eisen voldoen als bij het rondgaand ploegen.

De geer Bij het wentelploegen zit de grote moeilijkheid in het ploegen van de geer. Een goede methode hiervoor is een ondiepe merkstreep te maken, een wielspoor is ook toegestaan. Men ploegt nu iedere gang tot de merkstreep en de trekker moet men keren op de derde wendakker. De eerste gang langs de geer moet zonder gaten en bulten worden gerealiseerd, moet recht zijn en de eerste snede moet vanaf de middenpaden zichtbaar zijn.

Derde wendakker De derde wendakker moet voor een twee- of vierscharige ploeg bestaan uit 19 of 20 sneden. Voor een driescharige ploeg uit 20 of 21 sneden. Om deze derde wendakker goed af te werken is het van groot belang, dat de merkstreep op de juiste plaats wordt gemaakt.

De eindvoor De eindvoor dient exact op de eigen beginvoor aan te sluiten. Alle grond moet zijn geploegd.

Het in- en uitzetten Met in- en uitzetten moet zo gelijkmatig mogelijk gebeuren, terwijl de ploeg bij het inzetten zo snel mogelijk op diepte moet komen. Uitgangspunt is dat alle grond tussen de merkvoren moet worden geploegd.

Reglementen

Wedstrijdreglement voor rondgaand ploegen

1. Type van de wedstrijd

Deelname staat open voor twee- en meerscharige rondgaande ploegen.

2. Type ploeg

Ploegen zijn uitgerust met voorscharen, kouters, scharen en risters die altijd in normale positie worden gebruikt. De jury zal vóór de aanvang van de wedstrijd de ploegen op dit punt beoordelen. In bepaalde gevallen kan worden toegestaan dat veranderingen of toevoegingen aan de originele uitvoering zijn aangebracht, dit echter ter beoordeling van de jury, waartegen geen beroep mogelijk is. Bij de openingsvoor, de aanstorting en de eindvoor hoeven de voorscharen niet te worden gebruikt. Losse risterverbreders zijn uitsluitend toegestaan bij de opening. Strijkplaten mogen worden gebruikt mits ze voldoen aan de maximale afmeting en vormgeving zoals vermeld in figuur 3. Andere hulpmiddelen die de grondbalk beïnvloeden zijn niet toegestaan. De hele wedstrijd moet worden geploegd met het materiaal waarmee men zich heeft aangemeld.

3. Terreinen en toegestane tijd

Er zal een perceel …. (aard van de ploegen bouwvoor, bv. tarwestoppel) op wintervoor moeten worden geploegd, in de tijd van 3 uur. Hierbij is 20 minuten voor de openingsvoor en 2 uur en 40 minuten voor het overige ploegen beschikbaar. De te ploegen percelen bestaan uit ……. (aanduiding grond soort).

4. Diepte van de ploegvoor

De diepte van de ploegvoor moet minimaal .. cm gedragen en – als de eigenaar van de grond dat wenst – maximaal .. cm. Deze diepte moet na twee omgangen zijn bereikt.

5. Uitzetten en begin

Het start- en eindpunt van de beginvoor (de opening) van elk veldje wordt aangegeven door een bordje met het nummer van de deelnemer. De nummers worden bij loting toegewezen. Om de richting van de beginvoor te kunnen bepalen, mogen een kwartier voor de aanvang van de wedstrijd, ten hoogste drie richtpalen worden geplaatst. De deelnemer mag hierbij worden geassisteerd door een helper, die de richtpalen ook weer mag weghalen bij het ploegen van de beginvoor. Deze helper moet zich steeds vóór de trekker bevinden. Het aanbrengen van een vizier op de trekker wordt niet toegestaan, daar dit gezien wordt als een meerijdende richtpaal. Als de richtpalen zijn gezet, worden de nummerbordjes weggenomen. De nummerbordjes worden door de leden van de terreincommissie weer op dezelfde plaats teruggezet, nadat twee omgangen zijn geploegd.

6. Beginvoor en aanstorting

Op de plaats waar de beginvoor is uitgezet, wordt eerst een open voor gemaakt. Dit moet geschieden door het maken van een zogenaamde dubbele opening, waarbij de beginvoor naar weerszijden moet worden uitgeploegd. Dit uitploegen kan beide gangen met het achterste rister geschieden, doch mag ook de eerste gang met het achterste en de tweede gang met het daarvoor gelegen rister worden uitgevoerd. Dit geldt voor tweescharige ploegen. Voor ploegen met meer dan twee scharen, wordt de ploeg bij de eerste gang zodanig afgesteld, dat het voorste lichaam geen grond verzet. Bij de tweede gang, die dus de eerste omgang voltooit, ploegt het voorste lichaam de ploegsnede naast de open voor uit; het tweede lichaam loopt in de open voor, waarbij het geen grond verzet. Het derde lichaam ploegt de reeds geploegde snede van de eerste omgang in de open voor en het vierde lichaam of het daarop volgende voltooit dit gedeelte van de aanstorting. Bij de volgende gehele omgang wordt de aanstorting voltooid.

Na het ploegen van de opening moeten de deelnemers wachten tot de jury met de beoordeling van de opening gereed is en het tweede startsein is gegeven. Het platrijden van de uitgeploegde sneden is niet toegestaan. Het open ploegen en de daarop volgende aanstorting moet zo zijn, dat alle eventuele vegetatie is doorgesneden en zo goed mogelijk is ondergeploegd, en dat er geen ongeploegde resten in de openingsvoor achterblijven.

7. Het ploegen en de eindvoor

Na de opening moeten de deelnemers vier omgangen (inclusief aanstorting) rechtsom ploegen en daarna beginnen linksom te ploegen. Hiertoe gaan de deelnemers verder in de voor van hun buurman met het hogere nummer en ploegen vanéén tot de eindvoor is bereikt. Bij een veld zonder “buurman’ wordt de extra merkvoor door de jury niet beoordeeld, maar als correctievoor gezien. Bij het maken van de eindvoor mag slechts één trekker- en één ploegwielspoor zichtbaar blijven.

De grond van de laatste snede (waarmee dus de eind voor wordt gemaakt) moet naar die zijde van het geploegde perceel worden gekeerd, waar ook de aanstorting ligt.

De geploegde sneden mogen noch met de hand, noch met de voet worden aangeraakt. De ploeg moet zodanig worden ingezet en uitgelicht, dat het geploegde perceel aan de kopakkers zo rechtlijnig mogelijk wordt begrensd. Bij het inzetten moet de ploeg zo spoedig mogelijk op de voor geschreven diepte zijn. Over het algemeen kan men zeggen, dat de ploeg moet worden ingezet met de voorste schaar op de merkvoor en worden uitgelicht als de achterste schaar de merkvoor heeft bereikt.

8. Toegestane hulp

De deelnemer mag tijdens de wedstrijd op geen enkele wijze worden geholpen, behalve bij het uitzetten en weg nemen van de richtpaaltjes.

Tijdens de wedstrijd mogen zich geen andere personen op de veldjes bevinden dan de deelnemers en de leden van de jury, wedstrijd- en terreincommissie en zij die van de wedstrijdleiding speciale toestemming hebben gekregen.

9. Terreincommissie

De leden van de terreincommissie moeten voor de deelnemers  goed kenbaar zijn, b.v. door en brede witte armband, een witte overall of jas. Zij houdt tijdens het ploegen toezicht op het naleven van het wedstrijdreglement en zetten de nummerbordjes weer op hun plaats terug als de deelnemer zijn aanstorting heeft gemaakt.

Wanneer een deelnemer moeilijkheden heeft of hulp verlangd mag hij zich alleen tot deze commissie of tot de jury wenden. Als een deelnemer na het rechtsom ploegen op zijn buurman moet wachten om in diens voor verder te ploegen, zal hij dit onverwijld moeten melden bij een lid van de terreincommissie. Deze houdt aantekening van de wachttijd.

De deelnemers zijn verplicht de aanwijzingen van de terreincommissie op te volgen.

10. Overtredingen

Een deelnemer die hulp ontvangt, anders dan in dit reglement is toegestaan, of op een andere wijze de voorschriften overtreedt, zoals b.v. door het aanraken van de geploegde sneden, zal bij de eerste keer een waarschuwing ontvangen, hetgeen automatisch 5 strafpunten oplevert. Bij een tweede overtreding wordt hij gediskwalificeerd.

Strafpunten kunnen worden gegeven voor: punten
– laatste snede verkeerde richting 10
– aanraken geploegde sneden 5
– overschrijden tijdlimiet per min 2
– te diep of ondiep per cm 2
Bij de diepte geldt een marge van + of- 2 cm.

De jury, of tenminste 2 leden daarvan, beoordeelt of voor een overtreding, gemeld door de terreincommissie, of door zichzelf geconstateerd, strafpunten moeten worden gegeven. De gezamenlijke jury stelt na afloop van de wedstrijd in onderling overleg het aantal strafpunten vast. Dit aantal wordt van het totale aantal punten dat door de gezamenlijke jury wordt gegeven, afgetrokken. Het niet opvolgen van instructies van de wedstrijdcommissie kan diskwalificatie tot gevolg hebben.

11. Begin en einde van de wedstrijd

Het begin en het einde van de wedstrijd wordt op duidelijke wijze aangegeven, b.v. door het hijsen en strijken van een vlag. Wanneer een deelnemer buiten zijn schuld in tijdnood raakt, b.v. door het wachten op zijn buurman, of tengevolge van het in ongerede raken van de trekker of ploeg, zal hij zich voor verlenging van zijn ploegtijd tot de terreincommissie moeten wenden. Tijdens de wedstrijd mogen de deelnemers het wedstrijdveld niet verlaten. Bij het beoordelen van de beginvoor blijven de trekker en ploeg voor het betreffende wedstrijd ploegveld opgesteld.

12. Deelnemers

De deelnemers moeten tenminste 10 minuten voor het tijdstip waarop de wedstrijd zal beginnen, met hun materiaal klaar staan voor het door hen te ploegen veldje.

13. Beoordeling

De jury geeft cijfers voor de volgende onderdelen:

  1. De beginvoor

Hieronder wordt de dubbele opening verstaan. Deze moet naar weerszijden zijn uitgeploegd en wel zodanig, dat er in de open voor geen ongeploegde stukjes vast blijven zitten. De naar weerszijden uitgeploegde sneden moeten een uniform beeld vertonen. Symmetrisch naar beide zijden, beide voren op gelijke diepte. De toegestane tijd voor de beginvoor bedraagt 20 minuten.

  1. De aanstorting (1) De aanstorting, d.w.z. de eerste omgang rond, moet zodanig worden uitgevoerd, dat bij de eerste snede de grondbalk goed is losgesneden en de vegetatie goed is ondergebracht. Geen trekkerwielspoor zichtbaar.
  2. De aanstorting (2) De aanstorting moet van voor tot achter hetzelfde beeld vertonen en mag niet hoger of lager liggen dan de rest van het geploegde perceel. Dit laatste is pas na meerdere omgangen goed te beoordelen. 4. Dekking groen en stoppel Gebruik van de voorscharen. Alle groen, stoppels, e.d. moeten over het gehele perceel goed zijn ondergeploegd. Alle wortelresten dienen te zijn doorgesneden.
  3. De voren De voren moeten vlak, schoon en recht afgesneden zijn.
  4. Geploegde sneden (1) De geploegde sneden moeten aansluiten en voldoende gekeerd zijn, zodat voldoende grond beschikbaar is voor een goed zaadbed. Geen gaten, geen trekkerwielspoor.
  5. Geploegde sneden (2) De geploegde sneden moeten ten opzichte van elkaar even hoog en even breed zijn (geen paring) en over de gehele lengte uniform en voldoende geaccentueerd.
  6. Eindvoor (1) De eindvoor moet schoon, niet te diep en zo smal mogelijk zijn (1 maal de schaarbreedte). Goede dekking groen en stoppel.
  7. Eindvoor (2) (laatste drie omgangen.) De laatste sneden moeten goed aansluiten en even hoog zijn als het overige ploegwerk. Slechts 1 trekkerwielspoor zichtbaar.
  8. Inzetten en uitlichten Het inzetten en uitlichten van de ploeg moet geschieden op de merkvoor die daarvoor is aangegeven en wel zodanig dat het geploegde perceel aan de kopakkers zo regelmatig en exact mogelijk wordt begrensd. Tevens is het van belang, dat de ploeg bij het inzetten zo gauw mogelijk op de voorgeschreven diepte is. Binnen de merkvoren moet alles omgeploegd en losgesneden zijn, met volle sneden, van begin tot eind. Geen trekkerwielspoor.

11a. Rechtheid openingsvoor

11b. Rechtheid aanstorting

11c. Rechtheid algemeen werk

11d. Rechtheid eindvoor

  1. Algemene indruk Alle onderdelen van het ploegen en het vakmanschap.

Aftrekpunten (van het totaal aantal punten van de gezamenlijke juryleden).

Strafpunten kunnen worden gegeven voor: punten
– laatste snede verkeerde richting 10
– aanraken geploegde sneden 5
– overschrijden tijdlimiet per min 2
– te diep of ondiep per cm 2
Bij de diepte geldt een marge van + of- 2 cm.

Op alle onderdelen wordt door de jury volgens een schaal van 1 – 10 beoordeeld. De punten van de onderdelen 11a tot en met 11d worden later door 2 gedeeld, zodat maximaal 130 punten kan worden behaald. Op de nationale ploegwedstrijden worden alle onderdelen door twee verschillende jurygroepen beoordeeld. Per dag kan daardoor maximaal 260 punten worden behaald.

Wedstrijdreglement voor wentel ploegen

1. Type van de wedstrijd

Deelname staat open voor twee- en meerscharige wentelploegen 2. Type ploeg

Ploegen zijn uitgerust met voorscharen, kouters, scharen en risters die altijd in normale positie worden gebruikt. De jury zal vóór de aanvang van de wedstrijd de ploegen op dit punt beoordelen. In bepaalde gevallen kan worden toegestaan dat veranderingen of toevoegingen aan de originele uitvoering zijn aangebracht, dit echter ter beoordeling van de jury, waartegen geen beroep mogelijk is. Bij de openingsvoor, de aanstorting en de eindvoor hoeven de voorscharen niet te worden gebruikt. Losse risterverbreders zijn uitsluitend toegestaan bij de opening. Strijkplaten mogen worden gebruikt mits ze voldoen aan de maximale afmeting en vormgeving zoals vermeld in figuur 3. Andere hulpmiddelen die de grondbalk beïnvloeden zijn niet toegestaan. De hele wedstrijd moet worden geploegd met het materiaal waarmee men zich heeft aangemeld.

3. Terreinen en toegestane tijd

Er zal een perceel …. (aard van de ploegen bouwvoor, bv. tarwestoppel) op wintervoor moeten worden geploegd, in de tijd van 3 uur. Hierbij is 20 minuten voor de openingsvoor en 2 uur en 40 minuten voor het overige ploegen beschikbaar. De te ploegen percelen bestaan uit …. (aanduiding grond soort).

4. Diepte van de ploegvoor

De diepte van de ploegvoor moet minimaal .. cm bedragen en – als de eigenaar van de grond dat wenst – – maximaal .. cm. Deze diepte moet bij de 4e voor zijn bereikt voor tweescharige, bij de 6e voor voor driescharige ploegen, enz.

5. Uitzetten en begin

Het start- en eindpunt van de beginvoor (de opening) van elk veldje wordt aangegeven door een bordje met het nummer van de deelnemer. De nummers worden bij loting toegewezen. Om de richting van de beginvoor te kunnen bepalen, mogen een kwartier voor de aanvang van de wedstrijd, ten hoogste drie richtpalen worden geplaatst. De deelnemer mag hierbij worden geassisteerd door een helper, die de richtpalen ook weer mag weghalen bij het trekken van de beginvoor. Deze helper moet zich steeds vóór de trekker bevinden. Het aanbrengen van een vizier op de trekker wordt niet toegestaan, daar dit gezien wordt als een meerijdende richtpaal.
Als de richtpalen zijn gezet, worden de nummerbordjes weggenomen. De nummerbordjes worden later teruggeplaatst tussen de 4e en 5e snede.

6. Beginvoor

Voor het uitrijden van de beginvoor, wat met het achterste rechtse lichaam moet geschieden, staan 20 minuten ter beschikking. Er mag maar één geploegde snede zichtbaar zijn. Bij het maken van de beginvoor behoeven de voorscharen niet te werken. Na de opening volgt een pauze om de jury de gelegenheid te geven de beginvoor te beoordelen.

7. Merkstreep voor de geer

Direct na de voltooiing van de beginvoor moet de ploeger de merkstreep voor de geer uitzetten en deze ook uitrijden. Deze wordt gemeten vanaf de eigen beginvoor, rekening houdend met hetgeen in punt 11 staat vermeld over de derde wendakker. Hierbij mogen ook maximaal drie richt palen, evenals een helper worden gebruikt, onder dezelfde voorwaarden als bij de beginvoor. Na het uitzetten kan de merkvoor naar eigen inzicht worden getrokken. In plaats van een merkvoor is een wielspoor toegestaan. Deze merkvoor wordt niet beoordeeld.

8. De aansluitvoor

Een deelnemer die geen buurman heeft moet, om de rand van het perceel aan te duiden zelf een aansluitvoor trekken. De plaats waar dit moet geschieden wordt door de wedstrijdleiding gemarkeerd. Bij het uitzetten en uitrijden van deze voor mogen weer maximaal drie richtpalen en de assistentie van een helper worden gebruikt. Uiteraard is in dit geval één keer loos rijden toegestaan. De aansluitvoor moet vóór het tweede startschot worden gemaakt en wordt niet beoordeeld.

9. De aanstorting

Na de beoordeling van de beginvoor volgt een tweede startsignaal. De ploeger begint nu met het terugstorten van de uitgeploegde snede. Men dient er hierbij vooral op te letten, dat alles goed wordt losgesneden en dat de eerste snede even hoog komt te liggen als de rest van het ploegwerk. Een aanstorting is voor een tweescharige ploeg compleet na 8 sneden, voor een driescharige ploeg na 9 sneden en voor een vierscharige ploeg na 8 sneden. Het nummerbordje moet worden teruggeplaatst tussen de 4e en 5e snede.

10. Ploegen van de geer

Na 8 of 9 sneden gaat de ploeger verder in de voor van de buurman met het hogere veldnummer. De eerste gang wordt niet beoordeeld. Als hij moet wachten, omdat de buurman nog niet zover is, moet dat worden gemeld bij de wedstrijdleiding. De wachttijd wordt aan het eind van de wedstrijd bijgevoegd. Het perceel wordt normaal geploegd tot het bereiken van de merkstreep waarop verder de geer wordt uitgevoerd. De deelnemer moet met de trekker na iedere rit op de derde wendakker keren (wentelen) en opnieuw inzetten. Bij het uitrijden op de derde wendakker mag men niet verder ploegen dan tot het punt waar de laatste keer op de derde wendakker is ingezet. Het uitrijden en inzetten gebeurt evenwijdig aan de geploegde sneden. Na het uitlichten bij het geren dient men direct te keren richting de korte geer en de kortste weg te nemen om vervolgens de laatst uitgeploegde voor in te rijden en de ploeg in te zetten. Tijdens de gehele wedstrijd geldt, dat de geploegde grond noch met de hand, noch met de voeten of met een ander hulpmiddel mag worden aangeraakt, ook niet met een trekkerwiel.

11. Ploegen van de derde wendakker

Zodra de deelnemer de geer heeft geploegd, begint hij weer aan de kopakker met het ploegen van de derde wendakker. Deze derde wendakker bestaat voor een twee- of vierscharige wentelploeg uit 19 of 20 sneden. Voor een driescharige wentelploeg uit 20 of 21 sneden. Deze sneden moeten vanaf de kopakker te tellen zijn.

12. De eindvoor

Tijdens de laatste gang van de derde wendakker wordt een eindvoor geploegd. Deze moet direct naast de beginvoor liggen. Dat betekent dus dat de berekening van de plaats van de merkstreep voor de geer zeer zorgvuldig moet gebeuren. De eindvoor moet recht, schoon en vlak zijn, niet te diep (2/3 van de ploegdiepte is ideaal). Tussen de eindvoor en de geploegde sneden van de eerste gang mag geen ongeploegde grond blijven liggen en de eerste geploegde sneden mogen niet opnieuw worden geploegd. De laatste snede moet goed aansluiten bij en even hoog zijn als het overige ploegwerk, inclusief de aanstorting. Het wielspoor moet zo ondiep mogelijk zijn. Tussen het tweede startsein en het einde van de wedstrijd heeft de ploeger 2 uur en 40 minuten beschikbaar.

13. Toegestane hulp

De deelnemer mag tijdens de wedstrijd op geen enkele wijze worden geholpen, behalve bij het uitzetten en weg nemen van de richtpaaltjes.

Tijdens de wedstrijd mogen zich geen andere personen op de veldjes bevinden dan de deelnemers en de leden van de jury, wedstrijd- en terreincommissie en zij die van de wedstrijdleiding speciale toestemming hebben gekregen.

14. Terreincommissie

De leden van de terreincommissie moeten voor de deelnemers goed kenbaar zijn, b.v. door een brede witte armband, een witte overall of jas. Zij houdt tijdens het ploegen toezicht op het naleven van het wedstrijdreglement en zetten de nummerbordjes weer op hun plaats terug als de deelnemer zijn aanstorting heeft gemaakt. Wanneer een deelnemer moeilijkheden heeft of hulp verlangt mag hij zich alleen tot deze commissie of tot de jury wenden. Als een deelnemer op zijn buurman moet wachten om in diens voor verder te ploegen, zal hij dit onverwijld moeten melden bij een lid van de terreincommissie. Deze houdt aantekening van de wachttijd. De deelnemers zijn verplicht de aanwijzingen van de terreincommissie op te volgen.

15. Overtredingen

Een deelnemer die hulp ontvangt, anders dan in dit reglement is toegestaan, of op een andere wijze de voorschriften overtreedt, zoals b.v. door het aanraken van de geploegde sneden, zal bij de eerste keer een waarschuwing ontvangen, hetgeen automatisch 5 strafpunten oplevert. Bij een tweede overtreding wordt hij gediskwalificeerd.

Strafpunten kunnen worden gegeven voor: punten
– loze rit, per keer 10
– aanraken geploegde sneden 5
– overschrijden tijdlimiet per min 2
– meer of minder dan 19/20 resp. 20/21 sneden in 3e wendakker 10
– te diep of ondiep per cm 2
Bij de diepte geldt een marge van + of- 2 cm.

De jury, of tenminste 2 leden daarvan, beoordeelt of voor een overtreding, gemeld door de terreincommissie, of door zichzelf geconstateerd, strafpunten moeten worden gegeven. De gezamenlijke jury stelt na afloop van de wedstrijd in onderling overleg het aantal strafpunten vast. Dit aantal wordt van het totaal aantal punten dat door de gezamenlijke jury wordt gegeven, afgetrokken. Het niet opvolgen van instructies van de wedstrijdcommissie kan diskwalificatie tot gevolg hebben.

16. Begin en einde van de wedstrijd

Het begin en het einde van de wedstrijd wordt op duidelijke wijze aangegeven, b.v. door het hijsen en strijken van een vlag. Wanneer een deelnemer buiten zijn schuld in tijdnood raakt, b.v. door het wachten op zijn buurman, of ten gevolge van het in ongerede raken van de trekker of ploeg, zal hij zich voor verlenging van zijn ploegtijd tot de terreincommissie moeten wenden. Tijdens de wedstrijd mogen de deelnemers het wedstrijd veld niet verlaten.

17. Deelnemers

De deelnemers moeten tenminste 10 minuten voor het tijdstip waarop de wedstrijd zal beginnen, met hun materiaal klaar staan voor het door hen te ploegen veldje.

18. Beoordeling

De jury geeft cijfers voor de volgende onderdelen:

  1. De beginvoor

De open voor moet schoon en vlak zijn. Doorgesneden over hele lengte. Er mag maar 1 uitgeploegde snede zichtbaar zijn en deze moet een uniform beeld tonen over de gehele lengte. Er mag geen ongeploegd land zichtbaar zijn tussen de voor en de uitgeploegde snede.

  1. De aanstorting De uitgeploegde snede van de openingsvoor moet exact worden teruggekeerd. De aanstorting moet zodanig worden uitgevoerd, dat bij de eerste voor de grondbalk goed is losgesneden en de vegetatie goed is ondergebracht. De sneden moeten even hoog liggen als het overige ploegwerk. 8 Sneden (4 gangen tweeschaar en 2 gangen vierschaar ploeg) of 9 sneden (anderhalve gang drieschaar ploeg). Geen trekkerwielspoor.
  2. De aanstorting van de geer (1) Bij de eerste snede dient de grondbalk goed te zijn losgesneden en geen oneffenheden vertonen. 4. De aanstorting van de geer (2) De eerste snede dient zichtbaar te zijn over de gehele lengte. Uniform en recht. Moet goed aansluiten op het overige ploegwerk. Geen trekkerwielspoor.
  3. Dekking groen en stoppel Gebruik van voorscharen. Alle groen, stoppels, e.d. moeten over het gehele perceel goed zijn ondergeploegd. Alle wortelresten dienen te zijn doorgesneden.
  4. De voren De voren moeten vlak, schoon en recht afgesneden zijn.
  5. Geploegde sneden (1) De geploegde sneden moeten aansluiten en voldoende gekeerd zijn, zodat voldoende grond beschikbaar is voor een goed zaadbed. Geen gaten, geen trekkerwielspoor.
  6. Geploegde sneden (2) De geploegde sneden moeten ten opzichte van elkaar even hoog en even breed zijn (geen paring) en over de gehele lengte voldoende geaccentueerd.
  7. Afwerking derde wendakker Dekking groen en stoppel, uniforme sneden die goed aansluiten bij het overige ploegwerk.
  8. Eindvoor (laatste twee sneden naast de aanstorting.) De laatste sneden moeten goed aansluiten en even hoog zijn als het overige ploegwerk. Geen ongeploegd of herploegd land, goede dekking groen en stoppel. Slechts 1 ondiep trekkerwielspoor zichtbaar. Eindvoor moet schoon zijn.
  9. Inzetten en uitlichten Het inzetten en uitlichten van de ploeg moet geschieden op de merkvoor die daarvoor is aangegeven en wel zodanig dat het geploegde perceel aan de kopakkers zo regelmatig en exact mogelijk wordt begrensd. Tevens is het van belang, dat de ploeg bij het inzetten zo gauw mogelijk op de voorgeschreven diepte is. Binnen de merkvoren moet alles omgeploegd en losgesneden zijn, met volle sneden, van begin tot eind. Geen trekkerwielspoor.

12a. Rechtheid openingsvoor

12b. Rechtheid aanstorting

12c. Rechtheid algemeen werk

12d. Rechtheid eindvoor

  1. Algemene indruk Alle onderdelen van het ploegen en het vakmanschap.

Aftrekpunten (van het totaal aantal punten van de gezamenlijke juryleden).

Strafpunten kunnen worden gegeven voor: punten
– loze rit, per keer 10
– aanraken geploegde sneden 5
– overschrijden tijdlimiet per min 2
– meer of minder dan 19/20 resp. 20/21 sneden in 3e wendakker 10
– te diep of ondiep per cm 2
Bij de diepte geldt een marge van + of- 2 cm.

Op alle onderdelen wordt door de jury volgens een schaal van 1 – 10 beoordeeld. De punten van de onderdelen 12a tot en met 12d worden later door 2 gedeeld, zodat maximaal 140 punten kan worden behaald. Op de nationale ploegwedstrijden worden alle onderdelen door twee verschillende jurygroepen beoordeeld. Per dag kan daardoor maximaal 280 punten worden behaald.